Toen en Toen ..
Zoeken Het verhaal van Friesland

Onderstaande herinneringen zijn gebaseerd op een schriftje uit 1943 van een onbekende Leeuwarder. Het origineel vind je als pdf op de website van Historisch centrum Leeuwarden

Mijn jeugd in Leeuwarden rond 1880–1890

Als ik terugdenk aan Leeuwarden uit mijn jeugd, dan zie ik een heel andere stad dan nu. Er waren meer grachten, meer schepen, meer venters op straat en ook veel meer kleine dingen die toen heel gewoon waren en later verdwenen zijn. Hieronder vertel ik daarover, onderwerp voor onderwerp.

De stad, de grachten en de veranderingen

  • Vroeger groef men in Leeuwarden, net als elders, grachten en sloten voor het verkeer. Later werden die juist weer gedempt, óók voor het verkeer, maar nu om gemakkelijker door de stad te kunnen rijden. Aan die dempingen danken we sommige brede straten.
  • Ik herinner me niet meer dat de Eewal en het Herenwaltje werden gedempt. Wat ik me wél goed herinner, is het dempen van het Zwitserswaltje en van de Tweebaksmarkt en Turfmarkt, met het bekende smalle bruggetje bij de zeepziederij van Waller Zeper, haaks op de trapjesbrug over de Tuinen.
  • Ik herinner me ook nog heel goed dat het Nieuwe Kanaal werd gegraven en dat de doorbraak van de Grachtswal in de richting van de Wijbrand de Geeststraat tot stand kwam. Daarvóór speelden wij veel “in de bocht” en op de grote blauwe stenen aan de walkant tegenover de steenhouwerij op de Grachtswal.
  • Tussen de stad en de Grachtswal, die toen nog echt buiten de stad lag, voer een klein veerpontje. Op die plek ligt nu een elektrische brug.
  • Op de Grachtswal stonden enkele woonhuizen met daarboven graanzolders. Om die zolders te bereiken, mochten er dag in dag uit grote staande ladders tegen de huizen op het trottoir blijven staan.
  • Verschillende huizen die direct aan het trottoir stonden, hadden vroeger luiken. Die werden elke avond gesloten als beveiliging tegen inbraak. Zonneblinden waren gemaakt van schuin geplaatste houten latten en deden ongeveer hetzelfde werk als de latere jaloezieën.
  • Van eenrichtingsverkeer was nog geen sprake. Wel zag je op verschillende plaatsen bordjes met het opschrift: “Stapvoets rijden”. Hier en daar viel zo’n oud bordje later nog lang te ontdekken.
Vliet 1900

Toen het Vliet nog een gracht was. Foto rond 1900

Water, pompen, waterverkoop en ijs

  • Op het bolwerk tussen Westerkade en Westerplantage stonden vroeger grote stadspompen. Ook aan de Oostersingel, tegenover de kazerne, stond zo’n grote pomp. Die stonden in verbinding met de zoetwatervijvers aan de Westersingel en Oostersingel.
  • Vlak bij de pomp aan de Oostersingel stond het door ons jongens zo gevreesde “Kruithuisje”. Dat gaf die plek iets geheimzinnigs en dreigends.
  • Uit de zoetwatervijvers werd in de winter ijs gehaald. Dat werd in gezaagde blokken uit het water genomen en daarna per wagen of per schuit vervoerd naar bierkelders op het Herenwaltje.
  • Later kreeg Leeuwarden waterleiding. Ik meen dat dit in 1888 was. Dikke buizen werden toen in de grond gelegd. Daarbij speelde de schutterijmuziek de mars van Düppeler Schansen, met de bekende spottende woorden: “Keesje, je hebt er water bij gedaan.”
  • Vóór de komst van de waterleiding waren er ondernemende straatventers die water verkochten. Ze liepen rond met de roep: “Haal ie water!” Een emmer kostte 2 of 3 cent. Op de tonnen stond geschilderd: “gegarandeerd”.
  • Mensen die geen regenwaterbak met filter hadden, kochten dat water. Ook wie in droge zomers een lege regenbak had, moest water kopen. Een “gang” betekende twee emmers.
  • Iedere zaterdag werd huis aan huis het trottoir, dat uit kleine slechtsteentjes bestond, geschrobd. Daarvoor werden veel emmers water met een puthaak uit de gracht gehaald. Wij jongens gooiden die gevulde emmers nog wel eens om. Handige dienstmeisjes gooiden ons dan voor straf de natte dweil in het gezicht.

Markten, venters en handel op straat

  • Op de Voorstreek, bij de pijp tegenover de Koningstraat, stonden dikwijls grote kuipen met levende zoetwatervis te koop. Vroeger was daar de vismarkt.
  • Zoals vroeger met witte zandraapjes werd gevent, in grote platte manden die aan een juk werden gedragen, zo liepen dezelfde vrouwen ook met zeevis door de stad. Zij riepen dan met een schelle stem: “schelvis, schelvis!” of met een mooie uithaal: “zeeskol, zeeskol!”
  • Tot een aantal jaren daarvoor vormden de visvrouwen nog een soort eigen gilde, vooral rond nieuwjaar.
  • Op vrijdag was het op de Brol en de Kelders, waar toen nog trapjes naar de kelders van de bewoners waren, erg druk. Daar stonden veel marktlieden met een ellestok, terwijl op de grond grote hoeveelheden knopen, linten en andere koopwaar lagen uitgespreid.
  • Aan de smalle zijde van de Nieuwestad lag een drukke vleesmarkt. Vooral in de zomer hadden de vliegen daar veel plezier van. In de laatste tijd werd daar trouwens niet altijd het beste vlees verkocht.
  • Op de Lange Pijp was op vrijdag gewoonlijk ook de bekende markttype Jacob Hollander te vinden. Hij liep in geklede jas en met hoge hoed en gold als specialist in het laten verdwijnen van likdoorns en dergelijke ongemakken.
  • Bij de Waag was een drukke vogel- en kippenmarkt.
  • Op de gevels van sommige huizen hingen bordjes met teksten als: “Hier gladmagelt men”, “Water en vuur te koop” en “Morgenwekker”. Zulke bordjes hoorden toen gewoon bij het stadsbeeld.
  • Regelmatig werd er ook gevent met schapekaasjes van 10 cent, met garnalen in blauwe kruiwagens en met een klein soort aardbeien dat in zogeheten “koppen” werd afgeleverd.
  • Bij de meeste bruggen en pijpen stond vaak een klein kraampje, een “diske”, waar allerlei snoepgoed werd verkocht. Daar kon je ook grote wortels kopen voor een halve cent. Zonder dat we het wisten, kregen we zo onze vitaminen binnen.
  • Op warme dagen kwamen er ijsmannetjes met fraai versierde wagentjes door de stad, voorzien van een klein belletje. Zij verkochten porties vanille-ijs aan huis voor 10 cent per portie. In veel gezinnen gold dat als een echte traktatie.

Scheepvaart, vervoer en verbindingen

  • Alle Leeuwarder binnengrachten werden al op donderdag bezet door marktschepen. Van motorboten was toen nog helemaal geen sprake.
  • Op vrijdag kwamen in de buitengrachten stoomboten te liggen, sommige met vee in pramen, afkomstig uit de meeste plaatsen in Friesland.
  • De beurtschippers deden op donderdagmiddag en donderdagavond bestellingen en boodschappen voor winkeliers en grossiers.
  • In de week voeren er nog ouderwetse trekschuiten. Die lagen aan het Schavernek, bij de Waag aan de Nieuwestad en aan de Voorstreek bij de Nieuweburen.
  • Een reis met de trekschuit naar Sneek duurde minstens vier uur. Toch ging het er in die schuiten gezellig aan toe.
  • Bij gesloten water kwamen beurtschippers met grote sleden verschillende goederen halen voor bakkers en winkeliers in de provincie.
  • Om door de bruggen te komen riepen schippers al geruime tijd vóór zij bij de brug waren luid: “brio-ie!” Dat werd herhaald totdat de brugwachter tevoorschijn kwam. Die trok dan de slappe kettingen aan beide zijden van de brug weg. Later gebruikte men daarvoor hoorn of bel.
  • Toen er nog geen auto’s waren, werden hotelgasten van de trein gehaald door omnibussen van de hotels. Die stonden klaar bij alle treinen uit Holland. Het waren kleine wagentjes met imperiaal van Hotel De Doelen, Hotel De Phoenix en Hotel Weidema. Naast de koetsier zat de commissionair van het hotel.
  • Aan de vier uitgangen van de stad stonden vroeger veel hondenkarren uit omliggende dorpen. Daarmee werden de door de karrijders bestelde goederen vervoerd. Daarna kwamen kleine paardewagens, toen grotere paardewagens en pas veel later vrachtauto’s.
  • De postkoets met post voor de provincieplaatsen was op vaste tijden op de Wortelhaven bij het oude postkantoor te zien. Als de postkoets de stad binnenkwam, blies de postiljon op zijn hoorn.
  • Telegrammen werden bezorgd door telegrambestellers, die steeds een ontvangstbewijs lieten tekenen. Wie zelf een telegram wilde verzenden, moest daarvoor naar de bovenste verdieping van het toenmalige post- en telegraafkantoor aan de Wortelhaven, nu het belastingkantoor.
  • Treinen vertrokken vroeger pas nadat de stationschef het sein had gegeven door het zogeheten afluiden. Daarvoor diende een grote bel op het perron. Perronkaartjes kenden we nog niet.

Handel, boter, aardappelen en aanvoer uit de provincie

  • Op vrijdag kon men aan de onderwal bij de Beurs steeds minstens drie vrij grote schepen zien liggen, zwaar beladen met vaten boter.
  • Die boter werd met lorries uit de Waag aangevoerd. De schepen vertrokken dezelfde dag nog naar Harlingen, vanwaar de boter bestemd was voor Engeland.
  • Het was bij sommige families de gewoonte om, zodra de nieuwe aardappeltjes werden aangevoerd, die al in de vroege ochtend op de Berlikumermarkt te gaan halen.
  • Bij de Prinsentuin had een grote Duitse Rijnsleepaak, beladen met allerlei kruiken en potten, een vaste ligplaats. Ook werd daar eau de cologne verkocht.

Turf en brandstof

  • Wanneer er brandstof als wintervoorraad moest worden opgeslagen, en anthraciet nog onbekend was, betekende dat de avond tevoren: vroeg naar bed, zodat men de volgende morgen vroeg kon beginnen.
  • De turfschippers brachten baggelaarturf aan. Die werd ofwel met gevulde manden naar binnen gesjouwd, ofwel, als de gelegenheid er was, omhoog gehesen.
  • Voor dat hijsen gebruikte men een katrol en zware hijstouwen. De katrol werd vastgemaakt aan een grote balk die uit het dakvenster naar buiten stak.
  • Bij grote gestichten en openbare gebouwen waren het de stadsturfdragers die het werk deden. Zij droegen een koperen herkenningsteken.
  • Dat turven duurde soms weken achtereen. Uit de in de nabijheid liggende turfschepen werd de turf eerst in grote handwagens met diepe bakken gebracht.
  • Daarna werd de turf in tonnen overgedaan en zo gemeten. Vervolgens stortte men de turf in grote manden.
  • Die manden werden dan naar de zolders gehesen, of door twee turvers aan een stevige stok gedragen. Die turfdragers waren altijd in een blauwe onderbroek gekleed. Dat beeld is me altijd bijgebleven.
  • Op de Kaai, bij de kazerne, lagen geregeld grote, zwaar geladen turfschepen.

Straatverlichting, techniek en nieuwe uitvindingen

  • Veel mensen zullen zich nog herinneren dat alle straatlantaarns iedere avond door mannen met ladders werden aangestoken. Vroeg in de ochtend maakten diezelfde mannen hun ronde weer om de lichten uit te draaien. Bij voldoende maanlicht bleven de lantaarns uit.
  • Na de zogeheten vleermuizen of ballonnetjes kwamen de gloeikousjes. Van elektrisch licht was toen nog geen sprake.
  • De eerste glazenwasser in Leeuwarden baarde veel opzien. Hetzelfde gold voor een stofzuigmachine die op straat stond te stampen, terwijl grote slangen over de weg en onder de ramen door de kamers in werden gelegd. Dat bestaan was maar van korte duur.
  • Een telefoon was een zeldzaamheid. Ook een schrijfmachine werd als iets heel bijzonders gezien. Men dacht toen nog dat die de copieboeken met oliebladen en vloeipapier nooit zou verdringen. Een geschreven brief bleef voor velen het enige echte.
  • Klerken zaten op hoge krukken aan hoge lessenaars met schuine kleppen. Zij gebruikten zandkokers om de inkt te drogen. Vulpennen bestonden nog niet.

Werk op straat en opvallende beroepen

  • In de zomer kon men geregeld een heel leger wiedsters zien, met grote strohoeden op en bewapend met een stomp mes. Daarmee verwijderden ze het gras en onkruid tussen de straatstenen.
  • Toen er nog geen fietsen en auto’s waren, gingen de meeste dokters per koets op pad. Als er zo’n rijtuig voor het huis van een vriend of buurman stond, werd al gauw met bezorgd gezicht gevraagd wat de dokter had gezegd. En als er zand werd gestrooid, was er vaak sprake van doodsgevaar. Onze huisdokter droeg altijd een hoge hoed en trakteerde ons kinderen op flikjes uit een platte zilveren doos.
  • In het voorjaar werd vooral de omgeving van het station volgens ons “onveilig” gemaakt door het grote aantal hannekemaaiers in hun rode baaien hemden en met zeisen. Zij kwamen meestal uit West-Duitsland om zich in de hooiperiode bij de boeren te verhuren.
  • Bij de Vlietsterbrug stond een zogeheten leugenbank met een zakkendragerswacht. Daar brachten losse sjouwerlieden vele wachturen door, terwijl er sterke verhalen werden verteld.

Spelen op straat en jeugdherinneringen

  • Tegen schemeravond speelden wij geregeld op straat. Daarbij zongen wij vaak Leeuwarder straatliedjes als: “Wat een kruis, wat een kruis, geen jenever meer in huis” en “Hij komt weerom, hij komt weerom, hij ligt in het vierde bataljon.”
  • Het “tiepelen” was een geliefd straatspel. Jammer genoeg wordt het niet meer gespeeld.
  • Jongens zag men veel met ijzeren hoepels, terwijl meisjes op de blauwe stoepen van woonhuizen bikkelden.
  • Ook het hoedjeballen was erg geliefd. Tussen de schooluren liepen we veel winkels af om “cacao”-plaatjes te krijgen, toen nog iets nieuws.
  • Vroeger hadden we een grote rijkdom aan kinderspelen. Ook dat is helaas vrijwel geheel verdwenen.
  • Toen er nog geen bovengrondse telefoondraden waren, mochten we op het Zaailand onze vliegers oplaten.
  • Des zondags gingen wij soms naar Zwartewegsend, gewapend met een vierdelige knipkooi om vinken te vangen. Met meelwormen lukte dat vaak.
  • In de winter schaatsten we op de Bleekerslootjes achter de Klanderij. In de vakantie gingen we graag kijken naar het draaien van aardewerk in de pottenbakkerij aan het Vliet.

Schooltijd en jeugd in de stad

  • Ik zie nog zo de ingang van de bewaarschool op de Tuinen voor me, waar wij werden opgevangen door juffrouw Fischer en haar helpsters.
  • Op de maat van de piano marcheerden wij in de zaal, die mij toen zo enorm groot voorkwam. Daarna werden er gezamenlijk matjes gevlochten en vervolgens speelden we in de tuin met kruiwagen en zand.
  • De groteren hadden ieder een eigen tuintje. Toen ik vele jaren later nog eens in dezelfde school het interieur goed bekeek, kwamen er direct allerlei herinneringen van tientallen jaren eerder terug. Alleen het geëmailleerde waterbekertje naast de pomp zag ik niet meer terug, terwijl we daar vroeger zo graag uit dronken.
  • Ook aan de zogeheten Ruiterschool heb ik veel herinneringen. De namen van meesters als Ris-Moezelaar staan me nog levendig voor de geest, net als de gevechten van school tegen school in de omgeving van De Zak.
  • Wij keken met ontzag op naar de leerlingen van de Rijks-Hogere Burgerschool en het Stedelijk Gymnasium. De leerlingen van de R.H.B.S. droegen schoolpetten in kepimodel met rode randjes. De gymnasiasten droegen vergelijkbare petten, maar dan met randjes van zilverdraad.
  • Eén dun koordje stond voor de eerste klasse, twee voor de tweede klasse enzovoort. Wie met zes zilveren koordjes liep, zat in de hoogste klas. Later werden die vervangen door gouden koordjes.
  • In de laagste klassen werd nog gewerkt met griffeldoos en sponzendoos met leer. De kaartentasjes dienden voor het bewaren van eventueel verdiende dagkaartjes. Die doosjes werden soms gebruikt als kweekplaats voor erwten en bonen, wat een muffe lucht gaf.

Vrije tijd, wandelen en uitgaan

  • Op Hemelvaartsdag was het de gewoonte om ’s morgens heel vroeg met een grote club naar het Boshuis te marcheren. Daar speelden we de hele dag in het bos en op de uitkijkpost. De toegang en het verblijf waren toen nog geheel vrij. We kwamen doodmoe per trein vanuit Hardegarijp weer thuis.
    (note: Met het boshuis wordt waarschijnlijk het theehuis van het Bos van Ypey bij Tytsjerk bedoeld).
  • In de Prinsentuin liggen veel herinneringen. Op zondag was daar geregeld een muziekuitvoering, de ene keer door de schutters onder kapelmeester De Jong, de andere keer door de militairen onder kapelmeester Stoetz, later Bickneze.
  • Ik zie de controleurs bij de hoofdingang nog staan, met strenge gezichten en grote scharen, waarmee zij zonder genade een hoek van het vierwekelijkse abonnement afknipten. Die afgeknipte hoekjes fladderden overal op de grond.
  • Wie geen behoorlijke begeleiding had, kwam er niet in. Voor de jeugd thuis was het vaste voorschrift om in de pauze naar huis te komen. Daarna liepen we tot ongeveer negen uur vooral rondjes om de vijver en rustten af en toe bij de muziektent.
  • De tafels onder de luifels werden meestal ingenomen door burgerlijke families. Voor kinderen was een grote krakeling vaak de traktatie. Wie thuis geen abonnement had, kreeg het tuinkaartje vaak van een oom of tante.
  • Op 18 juni was er gewoonlijk vuurwerk ter herdenking van de Slag bij Waterloo. Op andere feestdagen werd de tuin soms verlicht met duizenden vetpotjes, aangebracht op latten die tegen bomen en luifels waren gespijkerd. Dat was een mooi gezicht. Ook op de eerste maandag van de kermis was er gewoonlijk vuurwerk.
  • Een keer werden wij nagezeten door de kleinste politieman van Leeuwarden, die wij spottend “knop van de wandelstok” noemden. Toch boezemde de tuinpolitie met de groene randen aan de pet ons meestal flink ontzag in.

Feestdagen, kermis en Sint-Nicolaas

  • Op feestdagen kochten we veel zwervels en voetzoekers om die op het Zaailand af te steken. ’s Middags was het daar een algemeen feest met volksspelen zoals mastklimmen, vaatjes kruien en boegsprietlopen.
  • Tijdens de harddraverijen aan de Marssumerweg kwamen veel buitenmensen met paard en sjees naar de stad. Die paarden werden vaak gestald in De Groene Weide tegenover de Oldehove en bij Yke de Jong bij de Beursbrug.
  • De kermis was bij de Oldehove. Dan meldden vele orgelmannetjes zich met hun draaiorgels op de binnenplaats van het politiebureau aan het Hofplein. Daar werden de orgels gekeurd. Alleen wie niet al te vals speelde, kreeg een gemeentestempel en toestemming om tijdens de kermis in de stad te spelen.
  • Voor ons jongens was het een attractie om bij het opbouwen van de kermis aanwezig te zijn. Gewoonlijk waren er één grote draaimolen en vijf gewone. Aan de binnenkant hingen plankjes aan kettingen waarop het personeel ging staan om aan het einde van de rit af te remmen.
  • Tijdens de rit probeerden de jongens een grote ijzeren sleutel te grijpen die de man van de draaimolen in een houten koker vasthield en al draaiend voorhield. Wie de sleutel wist te pakken, kreeg een extra rit. Soms werd zo’n sleutel ten gunste van een zoontje door een vader min of meer omgekocht.
  • Naast hardlopers en kunstenaars die in de open lucht optraden, waren er kraampjes met grote hakblokken, waarop men met grote maar vrij stompe bijlen koek kon hakken. Dat was een grote attractie.
  • Enkele dagen vóór Sint-Nicolaas werden verschillende Leeuwarder families bezocht door oude baker- en werkvrouwen, met manden en trommels vol geheimzinnige inhoud. Daaronder zaten surprises, geschenken, taaitaai en suikergoed, afgedekt met helder witte doeken.
  • Een groot deel van die inhoud werd door de huismoeders overgenomen om later op het feest aan de kinderen uit te delen. Op de middag van 5 december stonden op het Waagplein verschillende tentjes met verklede jongens met trommels vol stenen en andere rammelende voorwerpen, om het publiek te lokken voor taartloterijen.
  • ’s Avonds werd er in banketwinkels gedobbeld om taarten, eenden en hazen. Maar wie een taart won, kreeg die zelden heel de winkel uit. In cafés werd gedobbeld of gekaart om geld (de pot) of gesjoeld om wild en taarten.

De kermis van Leeuwarden in de 19de eeuw

Militairen, schutterij en brand

  • Vrijwel iedere burger was verplicht zijn burgerplichten te vervullen, op straffe van boete bij afwezigheid, zowel bij brand als bij oefeningen op het schuttersland Achter de Hoven, net over de spoorwegovergang.
  • De loting voor de nationale militie vond steeds boven in de Oude Waag plaats. Dat was een belangrijke dag. Voor velen liep die teleurstellend af. Een laag nummer in de loterij betekende dienstplicht. Voor anderen, waaronder ikzelf, was het een vreugde als er een hoog nummer uit de bus kwam. Dat nummer werd dan vaak op hoed of pet gespeld zodat de stad het kon zien. Je mocht je hoge nummer ook verkopen aan iemand die wel in dienst moest.
  • Toen Leeuwarden nog een garnizoen had, werd er op donderdag een militaire mars door en buiten de stad gehouden. Vaak liep er een marketentster mee met een vaatje en de nodige inhoud. Het militaire muziekkorps bracht de troep de stad uit en haalde die ’s middags weer op.
  • Op verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis werd op het Zaailand parade gehouden. De officieren verschenen dan in groot tenue.
  • Er stonden schildwachten bij de kazerne, bij de schietbaan, om de gevangenis, bij het kantoor van de rijksbetaalmeester en op andere plaatsen. Patrouilles kwamen op vaste tijden de wacht aflossen.
  • Bij een wat grotere brand werd op de hoorn “Alarm” geblazen en werd de stad ’s nachts op stelten gezet. Dan werden de schutters opgeroepen om het terrein af te zetten. Er waren veel mannen nodig om de handbrandspuiten te bedienen. Bode Klampstra zorgde er altijd voor dat hij dicht bij de opperbrandmeester bleef, overdag met vaandel, ’s nachts met lantaarn.

Dagelijkse boodschappen, maten, geld en belastingen

  • De melkboer kwam ’s morgens tussen zeven en acht uur en ’s avonds tussen zes en zeven uur.
  • Eieren werden verkocht per snees, dus per twintig stuks. Roggebrood werd per kwart verkocht en beschuiten per verpakking.
  • Men sprak vaak van “zoveel en zoveel de halve stuver”, waarmee 2½ cent minder werd bedoeld dan het genoemde bedrag. Ook woorden als stoter en schelling waren nog heel gewoon in de spreektaal.
  • De prijs van sigaren lag veel lager dan later. Men kocht ze voor 8, 6 of 5 stuks voor een dubbeltje, soms 4 voor 10 cent. Een rijke jongen trakteerde wel eens op een sigaar van 3 of zelfs 4 cent. Dat gold als pure weelde.
  • Hondenbelasting, vroeger 3 gulden, werd betaald tegen inwisseling van een penning die elk jaar veranderde en aan de halsband van de hond moest worden bevestigd.
  • Wie herinnert zich niet de zogeheten stuiverse deurwaarder, die de “waarschuwingen voor belastingbetalers” rondbracht? Dat document kostte toen 5 cent.

Zondagen, familie-uitjes en dienstboden

  • Na een volle werkweek deden de dienstboden op zaterdagavond inkopen bij de winkelier. Zij droegen dan twee grote boodschapkorven met kleppen.
  • Donderdagavond was hun vrije avond. Dat kon men goed zien aan het grote aantal verliefde paartjes dat dan op straat liep.
  • Het was de gewoonte om met Marssumer Kermis in tentwagens die kant op te trekken. Veel kindervisites gingen naar de Kleine Bontekoe. Dan werd er verzameld bij de Oude Zwemschool, vanwaar men per open rijtuig of tentwagen naar de geliefde speeltuin werd gebracht.

Straatfiguren en bijzondere mensen

  • Straatfiguren waren onder anderen Zwarte Pang, Jetsje T. en vooral Trientsje, die voor 10 cent over haar hoed sprong.
  • Verder was er Cohen de schoenpoetser, die ook handelde in spoor-retourkaartjes.
  • Zwarte Pang werd op Koninginnedag in een oranjepak met hoge hoed gestoken.

Fietsen, auto’s en nieuwe tijden

  • Een fiets was aanvankelijk alleen bereikbaar voor welgestelden. Het was al een vreemd gezicht om een dame op een rijwiel te zien, en later ook een politieman of andere beambte.
  • De eerste auto in Leeuwarden veroorzaakte grote opschudding.
  • Een volgende periode, zo werd wel eens gezegd, zou niet meer over weg of water gaan, maar door de lucht.

Zo leefden Leeuwarders in de 19de eeuw

Deze informatie is mede gebaseerd op de anonieme notities uit 1943 van herinneringen aan een jeugd in Leeuwarden tusen 1880 en 1890. Het orgineel is terug te vinden op de website van Historisch Centrum Leeuwarden

De binnenstad van Leeuwarden.

Friesland

Friesland

De Friese steden

Het dagelijks leven in Friesland rond 1900

De Friese markten in 1823.

Herinneringen aan Leeuwarden (1880-1890)

Zo leefden Leeuwarders in de 19de eeuw

De kermis van Wirdum in de 19de eeuw.

De geschiedenis van Leeuwarden.

Misdaad en straf in de 19de eeuw.

De kermis van Leeuwarden, 19de eeuw

De voorstellingen in Leeuwarden, kermis 1898